De Beara Way Ierland – Longread

Ergens voor de zomer 2017 hadden P. en ik bedacht dat we maar eens op pad moesten. De laatste keer was alweer twee jaar geleden en dat was een mooie, maar kletsnatte tocht, in  Noorwegen. Om de regen zoveel mogelijk te vermijden hadden we dit keer Ierland geprikt…in oktober.

P. had de Beara Way in het zuidwesten van het groene eiland als route uitgezocht. Vanuit Cork was het nog zo’n twee uur met de bus om naar het begin van de route te komen in het plaatsje Glengarriff. Daar zouden we starten. De passagiers in de bus gaven al snel een visitekaartje af van Ierland. Iedereen was uitermate relaxed en vriendelijk. Die laidback houding maakte we ons al snel eigen en zo kwam het dat we Glengarriff finaal voorbij reden zonder dat wij dat in gaten hadden. Pas bij het volgende plaatsje Adripole kwamen we erachter dat we het startpunt hadden gemist.
Gelukkig zijn de Ierse buschauffeurs heel anders dan de Nederlandse. De bordjes die de haltes aangeven staan er min of meer voor de sier. Ze houden niets meer in dan een aanwijzing dat de bus daar zou kùnnen stoppen. Maar dat kan ook prima ergens anders, als de passagier daar om vraagt. Dus de brave borst was zo aardig om te stoppen op een plek waar we alsnog de route konden oppikken.

Rugzakken aan de haal
Inmiddels was het al een uur of zes ’s avonds en de bezorgde oudere dame naast me in de bus vond het helemaal geen goed idee dat we er op dit uur nog op uit gingen. Na haar te hebben verzekerd dat we goed wisten waar we mee bezig waren, liet ze ons met tegenzin uitstappen.
Gelukkig kan ik een aardig stukje rennen want direct nadat we waren uitgestapt gaf de chauffeur gas. Dat is natuurlijk zijn werk, maar onze rugzakken lagen nog wel ergens in de buik van de bus. Affijn; een sprintje en een flinke bons op het raam maakten dat we als nog onze tassen tevoorschijn konden halen en eindelijk aan de tocht konden beginnen.

Zwoegend de heuvel op

Het pad startte als klein asfaltweggetje die al rap veranderde in een vochtig weiland. En dat vochtige weiland ging vlot over in een steile, zompige bergweide en het was  direct een hele klim om boven te komen. De Beara way maakte meteen duidelijk dat het geen pad voor was voor ‘the faint hearted’ zoals een local ons later in de week toelichtte. Na een uurtje of wat lopen vonden we een prachtig plekje om ons tentje op te zetten.

Whisky als port
Dat was nog geen sinecure want P. had, na een ander kletsnat avontuur in Noorwegen met de Landrover, een nieuwe tent gekocht. Mijn ouwe tentje had de neiging om opkruipend vocht aan te trekken waardoor het grondzeil enigszins klamvochtig werd in de loop van de nacht. ’s Ochtends dreef de boel min of meer. Maar ja, ik hecht me toch makkelijk aan mijn kampeerspulletjes, dus een nieuwe tent was even slikken.

Om de eerste Ierse nacht te vieren hadden we in Cork een mooie fles whisky gekocht. In zo’n chique koker. Inmiddels moet ik maar onder ogen zien dat ook boodschappen doen eigenlijk niet meer te doen is zonder leesbril. Die mooie fles whisky bleek een fles port te zijn. Brrr. Uiteindelijk ging deze, na de teleurstelling te hebben weggeslikt, natuurlijk gewoon wel soldaat.

Die nacht sliepen we heerlijk (en droog, dat moet gezegd) en de volgende ochtend werden we wakker met een prachtig uitzicht op Bere Island. Het plan was om hier met een pontje naar toe te varen en vervolgens het eiland over de lengte, van west naar oost, te doorkruisen om dan op de oostkant een ander pontje te nemen naar Castetownbere op het vaste land.

Bere Island
Het pontje was volgens mij een soort oude vissersschuit waarvan de eigenaar had bedacht ‘als ik nou die boeg er eens uit snijd, deze vervolgens plet, en dan met kettingen weer bevestig….dan heb ik een pont! En hoef ik niet meer die gevaarlijke zee op en te lopen hannesen met die glibberige vissen’.

Een omgebouwde vissersschuit?

Maar goed, het werkte allemaal prima en voor vijf euro de man bracht hij ons naar het eiland. Daar hebben we de rest van de dag gelopen en aan het einde van de dag kwamen we aan op de meest oostelijke punt. En daar vonden we een plek om te kamperen die zomaar mijn top 3 van mooiste plekjes ter wereld binnenknalde. En dat is een prestatie, want er is concurrentie van Takaka in Nieuw Zeeland, Gili Air bij Lombok, De Marken (Le Marche) in Italië en de kustlijn tussen Sydney en Melbourne.

Dat landschap..

Na een heerlijke nachtrust zijn we de volgende ochtend met het pontje aan de oostzijde van Bere Island naar Castletownbere vertrokken. Daar konden we in de supermarkt wat voorraden inslaan en een flesje whisky kopen. Daar hebben we extra goed op gelet.

’s Middags de pas er in richting Allihies. Dat ligt in een gebied waar vroeger veel kopermijnen waren. Het was een prachtige tocht die ons langs een stonecircle bracht, door desolate gebieden en met behoorlijk pittige heuvels. De zon scheen uitbundig en we liepen lekker te zweten in onze t-shirts. Ik had van te voren toch een ander beeld bij Ierland in oktober. In Allihies hebben we gekampeerd op een klif boven het strand, genoten van het geluid van de branding, een fles whisky en elkaars gezelschap.

Geen last van honden
De volgende morgen gingen we – nog een beetje wankel – op weg naar Dursey Island. Onderweg zagen we borden die aan duidelijkheid niets te wensen over lieten.
Als hardloper ben ik niet dol op loslopende honden. Soms komen ze blaffend op je af rennen en je weet nooit wat ze plan zijn. De eigenaar roept altijd hetzelfde: “hij doet niks, hoor!”.
Jaja, maar hoe weet ik dat zeker?
De schapenboeren in Ierland zijn ook niet gecharmeerd van loslopende honden.
En hebben hier een …euh… even doeltreffende als definitieve oplossing voor bedacht.

Nogal definitieve oplossing voor loslopende honden

Onderweg spraken we een oud stelletje dat in het zonnetje zat te genieten op een bankje voor hun typisch Ierse cottage. Ze zeiden iets in het Hebreeuws of was het Japans? Hoe dan ook, het was absoluut niet te verstaan.
Toen wij in het Engels iets terugzeiden, schakelden ze over op een taaltje waarin ik inderdaad hier en daar wat woorden herkende. Ze zeiden dat we een heavy load droegen en P. antwoordde dat dat wel moest. Want alles zat er tenslotte in: vrouw, kinderen en de auto. Dat vonden ze een fantastische mop en ze rolden bijna van hun bankje af van het lachen. Waarschijnlijk hebben ze (en het hele ‘dorp’ van vier huizen) het er nu nog over.

Gammel kabelbaantje
Ondertussen had P. me verteld dat er maar één manier is om op Dursey Island te komen; via een kabelbaantje.
Slik.
Ik hou niet van hoogtes.
Een halfjaartje geleden vond ik mezelf terug op de Eiffeltoren. De afdrukken van mijn handen zijn voor eeuwig in een pilaar achtergebleven.
Er stond een informatiebordje bij de kabelbaan, op informatiebordjes ben ik wel verzot. Hierop stond te lezen dat het geval in 1969 was opgericht.
Beeld een staketsel van metaal in dat al bijna 50 jaar in de stormwinden en slagregens aan de kust staat. En in al die tijd één keer een likje verf heeft gekregen. Met een hokje met houten schuifdeurtjes en dito vloer mét kieren die een goed uitzicht geven op een woeste zee.
Je zult begrijpen dat ik niet stond te juichen.

oeioeioei

Maar het was het waard, Dursey Island is schitterend. Er wonen zo’n 16 mensen verdeeld over twee ‘dorpjes’. Er zijn geen winkels of cafeetjes. Maar wel schapen. Veel schapen. We zijn naar het verste puntje gelopen en kwamen op het allerlaatst nog één huis tegen. Totale verlatenheid.
Je moet er tegen kunnen daar te wonen.
Aan het einde van de wereld vonden we een prachtige kampeerplek.
’s Avonds keken we uit over de zee en zagen na een tijdje een paar scholen dolfijnen door de golven klieven. Hoe mooi wil je het hebben?

Toen het begon te schemeren stak de wind op. En goed ook. ’s Nachts werd het een regelrechte storm (het regende gek genoeg niet), die de tent constant plat drukte. Op één moment voelde ik zelfs de tent aan mijn kant omhoog komen. Ik werd gewoon door de wind opgetild. Ik was blij dat we met z’n tweeën in de tent lagen. En hoewel we de boel met stenen hadden verzwaard, was er toch een pannetje weggeblazen en een gastank. Die laatste hebben we wel weer teruggevonden.

Na deze slapeloze nacht hebben we worstelend met de wind de spulletjes weer ingepakt om naar het hoogste punt van het eiland te lopen waar een oude toren stond. Dat viel echt niet mee. Het waaide nog steeds zo hard dat we halverwege de afspraak maakten dat we, mocht de route langs kliffen lopen, terug zouden lopen en over de weg zouden gaan. Dat zou echt te link zijn geweest. Maar gelukkig hoefde dat niet, we bleven zo’n beetje op het midden van het eiland. Toen we bij de toren kwamen begon ik me wel een beetje zorgen over het kabelbaantje. Zou die nog wel gaan? We hielden ons letterlijk met moeite staande op de top van het eiland.

Na een uurtje lopen kwamen we bij het kabelbaantje en die ging gewoon. Ze zijn wel wat gewend, die eilanders. Via een deels andere route liepen we terug naar Allihies, onderweg kwamen we nog een rustende zeehond tegen op een rotsblok. Prachtig om te zien.

Een half matje
Via een andere lus zijn we vanaf Dursey Island weer teruggelopen richting Castletownbere. Omdat het de hele dag hard bleef waaien sloegen we ons kampementje op in een bos. De volgende dag kwamen we weer aan in Castletownbere en konden wat voorraad kopen. Hier zijn we in de bus gestapt en teruggereden naar Adripole. Daar weer de bus uit, zodat we de laatste etappe konden gaan lopen die we eigenlijk als eerste etappe hadden bedacht.

Het werd nog een pittige tocht richting Glengarriff. De heuvels waren hoog, maar vooral steil en zompig. En hoewel het prachtig weer was, was de grond kleddernat. De week ervoor was Ierland door een soort zondvloed getroffen. Pas na lang zoeken vonden we ’s avonds een min of meer droog plekje. We hadden eerder die dag een paar blikjes Murphey’s gekocht en man, man, man wat smaakten die lekker. Op tijd doken we de slaapzak in en kwam ik er achter dat mijn matje lek was geraakt. Nu was dat al een minimaal matje, maar nu stelde het helemaal niets meer voor.
Maar goed, we hadden hier ervaring mee, een paar jaar terug was ik , toen we een winters weekend tripje maakten in de Ardennen, mijn  matje al eens compleet vergeten. P. legde zonder aarzelen z’n matje dwars, zodat we allebei van schouder tot heup in ieder geval zacht en niet te koud konden liggen.
Wel bleken we de tent in een soort karrenspoor te hebben neergezet wat we niet hadden gezien door het hoge, stugge gras. We ‘sliepen’ dus in een soort goot.

’s Werelds lekkerste koffie
Traditioneel zetten we de volgende ochtend een bakkie koffie met mijn ouwe trouwe koffiemakertje. Die dingen zijn niet kapot te krijgen en ze maken hemelse koffie. Na een spiertergende afdaling, waarna we met trillende benen beneden aankwamen, ontmoetten we een kerel op een quad.
Hij wilde precies weten hoe het onderweg was geweest, hoe de route erbij lag en of we ervan hadden genoten. Na wat te hebben gepraat (hij vond het fantastisch dat twee Hollanders helemaal naar Ierland kwamen om een stukje te lopen) bleek dat hij degene was die dit stuk van de route had ontworpen en uitgezet. Aardige vent en hij stond erop foto’s van ons te maken.

Na nog twee uurtjes lopen kwamen we aan in Glengarriff en blikkerde de zon fel aan de hemel. Zonder aarzelen koersten we af op het eerste het beste terras en bestelden twee Guinness. Vreselijk jammer, maar het zat er op.
Maar we hadden nog één ding petto.
Onderweg hadden we afgesproken dat we de laatste avond in Cork veel bier zouden gaan drinken. Terwijl we plannen aan het smeden waren kwam het meisje dat bediende naar buiten (‘Two more Guinness please!’) en ze bleek onvervalst Nederlandse te zijn. Ze woonde net een paar maanden in Ierland. En wist goed de weg in het Corkse uitgaansleven. Kijk; dat kwam goed uit!
Ze gaf ons wat tips voor kroegen mét live muziek en gewapend met een papiertje stapten we op de bus naar Cork.

Owh, die Guinness na een lange tocht…

In Cork aangekomen vonden we al snel een B&B, wat een mazzel bleek te zijn, want Cork schijnt bekend te staan aan een schreeuwend gebrek aan plekken om te overnachten. De B&B had net een annulering doorgekregen. We kregen een riante kamer met twee superzachte bedden. Alsof je in een groot pak watten ging liggen. En dan die douche! Na een week rondsjouwen met een rugzak is een douche zo’n beetje het beste dat je kan overkomen.

Dolle avond in Cork
Opgefrist en met een schoon setje aan gingen we met hoge verwachtingen op pad. De missie: bier en muziek!
De eerste kroeg (aanrader van de dame in Glengarriff) was oud, afgeleefd, donker, bedompt en met een paar barflies die zo te zien al sinds 1982 niet van hun plek waren gekomen. Ik hou daar van. En toen ik een soort altaar ontdekte ter verering van Phil Lynott was ik helemaal verkocht. Helaas was het niet zo dat illustere held Phil zich hier ophield. De eigenaar was gewoon een groot fan. Na een tijdje kwam de muziek. Een gitarist/zanger die het helaas niet van zijn muzikale kwaliteiten moest hebben. Misschien wel van meer van zijn looks aan de reacties van de aanwezige dames te beoordelen. Nah, dat was niks, dus snel naar de volgende.

We spoelden aan in een grote kroeg met een bovenverdieping waar traditionele Ierse muziek werd gespeeld. En goed ook. Een nog jonge zanger met een stem als een klok, begeleid door twee krasse knarren. En ook hier een hele hoek gewijd aan een andere Ierse held; Rory Gallagher. Na een uurtje of wat stopte de band ermee en zakten we af naar beneden waar de volgende band al van start was gegaan. Eigenlijk was het best saaie muziek, maar inmiddels waren we in een opperbeste stemming en vastbesloten er een feestje van te maken.

Voor ik het besefte stond ik te dansen. En dat gebeurt echt niet gauw. Probleem is dat ik er helemaal niets van bak. Gevoel voor ritme heb ik niet, bepaalde noodzakelijke motoriek beheers ik niet en daarbij ben ik als hardloper zo soepel als een blok beton. Dus het ziet er niet uit.
Mijn dans ’moves’ houden het midden tussen loopscholing en op-en-neer springen.
Maar energie heb ik wel, ik hou het dus wel tijden vol.

Wonderlijk genoeg bleven de Ieren zitten op hun plek en waren wij tweeën de enigen die aan het bewegen waren. En hoewel we echt alles in de strijd hebben gegooid, kregen we niemand zo gek om mee te doen. Misschien zag het er allemaal wat intimiderend uit. Tussen de sprongen door raakten we aan de praat met een professor uit Mumbai en een ouwe kerel. Het werd steeds gezelliger en ik vermoed dat ik allerlei afspraken heb gemaakt.
Het zou zomaar kunnen dat in de loop van het jaar de vruchtbare professor zich meldt in Hoorn met z’n hele gezin (iets van zeven kinderen, kan ik me vaag herinneren), broers, zussen, neven en nichten en zijn ouders. Zo van: ‘Hello, my best friend, here we are.’
Hoe dan ook, het was een dolle avond die P. gepast afsloot door de zangeres van de band te trakteren op drie Hollandse klapzoenen.
Het was nog een hele toer om in het donkere, onbekende Cork de weg terug te vinden naar de B&B.

Wie zit er dan te wachten op het matje voor je bed (Jaap Fischer)
De volgende ochtend was iets minder prettig. De overnachting was inclusief ontbijt, maar die heb ik maar aan mijn neus voorbij laten gaan. Gelukkig hoefden we pas om half twaalf uit te checken, dus we konden het rustig aan doen. De vriendelijke eigenaar merkte op dat ik niet aan het ontbijt was verschenen en toen ik vertelde dat ik daartoe niet in staat was kregen we korting op de rekening, ik had tenslotte het ontbijt niet gebruikt.
Hij was duidelijk een routenier, want hij haalde zonder verder nog iets te zeggen een fles water uit de koelkast en gaf mij die. ‘You’ll be thirsty’.

Na nog een lange wacht in het busstation en op het vliegveld, ging de reis onverbiddelijk terug naar Nederland.
Waar de drukte en onverschilligheid mij op Schiphol hard in het gezicht mepte.