Roadtrip naar de Poolcirkel – Longread

Het was een gewone dinsdagavond toen ’s avonds rond tien uur de telefoon ging.
“Hoi Remco, met P.
Zeg, volgende week gaan we toch met de Landrover richting Noordkaap, hè?”
“Ja, daar staat me vaag iets van bij, man.”
“Er zijn namelijk wat kleine probleempjes met de auto.”
“O, wat dan precies?’
“Nou, de remmen schijnen niet zo best te zijn en de schokbrekers ook niet. En er zit een gat in één van kokerbalken. En verder nog wat kleine dingetjes, leidinkjes enzo.”
“Hmmm, P., dat klinkt wat problematisch. Vooral van die remmen.”
“Nou Remco, ik heb het volgende bedacht; de remmen laat ik maken en verder zien we wel.”
“Lijkt mij prima, jongen. Een Landrover gaat tenslotte niet kapot, die stopt er hoogstens een tijdje mee. En d’r is toch ook nog zoiets als de ANWB?”
Nadat we dit waterdichte plan hadden gesmeed en de verdere planning hadden doorgenomen (“ik kom je zaterdagochtend om zes uur oppikken en dan crossen we naar Denemarken. Daar pakken we de boot en dan zien we in Noorwegen wel verder, ok Remco?” “Klinkt weldoordacht, doen we.”) was het wachten tot zaterdagochtend.

20 kilometer per hour
En op die bewuste zaterdagochtend ging de telefoon weer.
“Hoi met P.
De Landrover wil niet starten.”
“O. Wat doet ie dan? Of beter; wat doet ie niet?”
“Nou hij doet eigenlijk niks, ik hoor alleen maar een tikkend geluid als ik start.”
“Da’s de accu P. Die is waarschijnlijk leeg.”
“Ok, dan start ik hem door en zie ik je zo.”
En verdomd, een half uurtje later hoorde ik het bekende dieselende motorgeluid door de straat klinken.
Gauw alle spullen systematisch in de auto geplaatst, volgens het bekende ‘grote-hoop-principe’ en het stuur richting het noorden gedraaid.
Tegen alle verwachting in verliep de reis voorspoedig en een paar uur te vroeg waren we al bij de boot. Tickets gekocht bij een vriendelijke dame en direct werd ik aangesproken door een dronken Noor.
“Hi guys, where are you heading for?” (we stonden bij de boot naar Noorwegen, hè).
Toen volgende een verward verhaal over een fles drank die hij had verstopt op het damestoilet en dat hij bij het verstoppen een vrouw met de deur – per ongeluk – tegen haar hoofd had gemept. “Not to hard, I think something like 20 kilometer per hour.” Hij wilde onze gids wel zijn in Noorwegen. Tsja.
Affijn, nadat we deze mafkees hadden geloosd (waarom zoeken ze mij altijd op?) het stadje ingegaan om ergens iets te eten.
We waren keurig een uur voor vertrek weer bij de terminal en gingen met de auto (die steeds prima startte) in de rij staan. Tot P. bedacht dat hij zijn fototoestel in het restaurant had laten liggen. “Ik ga proberen of ik hem nog halen, Remco. Rij jij de auto de boot op?”
“Ok, dan zien we elkaar wel aan boord. Anders kun je altijd even bellen naar het restaurant of ze hem voor je wegleggen.” Een kwartiertje later ging de telefoon, hij ging het niet redden. Na wat gedoe kwamen we elkaar weer aan boord tegen en de zeereis kon beginnen.
We hadden een plaatsje veroverd in de bar waar het gezellig druk werd.
Errug gezellig..
Halverwege de reis waren de meeste aanwezigen dronken en werd er voluit gezongen en gedanst. Ik begreep er niks van, al die mensen moesten over twee uur toch weer de weg op?
Affijn; aangekomen in Kristiansand reden vlot door de douane (“Rij jij de auto maar van de boot af, P.
Ik ben mijn rijbewijs vorige week een beetje kwijtgeraakt en zit liever niet aan het stuur als we door de douane gaan.”)
Twee uurtjes doorgereden en om een uur of één ’s nachts vonden we een mooi kampeerplekje in het bos. Na een beroerde nacht (ik ben niet zo’n beste slaper) volgde een stevig ontbijt met eieren en spek en kon de reis richting het noorden echt van start gaan.

Een wandelpad omploegen
Noorwegen liet zich meteen van haar mooiste kant zien. Fjorden, bergen en prachtige kronkelwegen. Twee keer moesten we een fjord met een veerboot oversteken. Wat wel iets minder was, waren de tunnels. Veel tunnels. Heel veel tunnels. En niet van die kleintjes; 5 km, 10km, 12 km, met als absolute klapper een tunnel van 24,5 km. Allemachtig, dat bleef maar doorgaan. We kregen ook meteen alle weersomstandigheden voor de kiezen; een lekker zonnetje, regenbuien, sneeuw, hagel en mist. Alles in één dag.
En we vonden een prachtig kampeerplekje aan een fjord. Het regende, maar ik kwam een soort stal tegen waar we heerlijk droog konden zitten en zelfs het tentje in op konden zetten.
Het was wel wat lastig om er te komen met de Landrover; een steil aflopend soort wandelpaadje leidde naar de rand van het water. Afdalen was niet zo’n probleem – hoewel best al spannend in het donker – maar hier wegkomen bleek later wat minder soepel te verlopen dan we van te voren hadden ingeschat.

Tsja, dat steile wandelpaadje was natuurlijk niet gebouwd op een Landrover van een dikke 2000 kilo. En zeker niet na al die maanden waarbij er een dikke laag sneeuw op lag. De grond was volledig verzadigd met water en dus kleddernat. Gevolg; er was maar weinig gewicht en kracht voor nodig om de auto diep te laten wegzakken. Een Landrover is tot veel in staat, maar dit soort van moerasachtige ondergrond was echt teveel gevraagd.
Terwijl de zwarte wolken uit de uitlaat braakten (sorry, zuivere Noorse berglucht), groeven de banden zich alleen maar dieper in. Wat nu? Hier kwamen we niet tegenop dat was wel duidelijk.
Het paadje liep nog wel verder door langs het fjord en een snelle inspectie te voet wees uit dat ontsnapping mogelijk was via het erf van een verderop gelegen boerderij. Er was te weinig ruimte om te keren, dus bleef als enige mogelijkheid over om achteruit het smalle paadje te volgen richting boerenerf.
Zo gezegd, zo gedaan. En terwijl P. aan het stuur zat gaf ik de aanwijzingen over de te volgen koers. Het rechter voorwiel balanceerde na een tiental meter vervaarlijk boven de rotsen, ongeveer de helft van de band hing in het luchtledige, terwijl het dak met slechts enkele centimeters langs een paar berken schoof.
Na een spannend kwartiertje kwamen we op het erf. Beschaafde mannen als we waren klopten we aan met de bedoeling te vragen of we over het land mochten rijden. Gelukkig was er niemand thuis, dus konden de eigenaren ook niet weigeren.
Wegwezen hier! Enne..dat omgeploegde paadje hadden we netjes met de schop weer hersteld, zo zijn we dan ook wel weer.

March is not a very good time of the year for a holiday in Norway
Op naar het altijd swingende plaatsje Lom.
Dachten we..
Want toen we Lom op 40 km waren genaderd en we door een dorpje reden stond er bord.
Weg gesloten. Althans, dat maakten we er uit op. Lom lag zo’n 40 km verderop.
In de buurt van het bord liep een man rond en ik vroeg hem of hij Engels sprak.
“Yes”
“Great, is it correct that the road to Lom is closed”?  vroeg ik.
“Yes”
“O, is there an alternative route?”
“No”
Daar werden we ook niet veel wijzer van.
Gelukkig was de dame van de benzinepomp wat hulpvaardiger (en liet ons fijntjes weten dat “march is not a very good time of the year for a holiday in Norway”) en met haar hulp kwamen we er achter dat er nog een weg moest zijn die niet op onze – kennelijk zwaar verouderde kaart – stond. Die weg lag er al een jaar of vijftien, dus mocht je ooit een kaart voor Noorwegen in Nederland kopen, kijk even goed naar het jaar van print.
Anyway; er was een alternatieve route met als hoogtepunt een pas waar we zeer waarschijnlijk alleen in colonne overheen zouden kunnen, een sneeuwschuiver volgend.
Dat leek ons wel wat.
De omweg bleek een prachtige route te zijn, maar tot onze teleurstelling bleek de colonne die dag niet nodig. Jammer. Maar er lag wel veel sneeuw en we moesten goed de bamboestokken langs de randen in de gaten houden om op de weg te blijven.

Volg de stokken

Na de hele middag te hebben gereden (en ervan te hebben genoten) waren we zo’n 400 kilometer opgeschoten.
En hemelsbreed zo’n 40 kilometer verder vanwaar we eerder stonden bij het bord van de gesloten weg…
Kijk en dát is omrijden.

Bij de kampeerplek die we die avonden vonden merkten we dat we al wat noordelijker kwamen. Het werd al best koud. Het meegebrachte brandhout en het Nepalese houtkacheltje kwamen goed van pas.

Klamvochtig tentje
De volgende dag reden we verder naar het noorden, richting Trondheim. Omdat het tot nu toe niet erg opschoot hadden we besloten er een lange rijdag van te maken. Zuidelijk van Trondheim is het ook niet het mooiste deel van Noorwegen, dus hier crosten we snel doorheen en na lang zoeken (zo’n twee uur) vonden we eindelijk een – doorweekte – kampeerplek, waaraan ’s nachts nog de nodige liters hemelwater werden toegevoegd.

Klamvochtige tent

De volgende ochtend was P. niet zo blij met mijn tentje, want hij ontdekte wat vochtplekjes binnen.
“Hé Rem, moet je nou kijk man. Het is hier binnen kleddernat!”
“Welnee, P. je moet niet zo zeuren, da’s alleen maar een beetje vochtdoorslag.”
“Vochtdoorslag?! Mijn mat drijft. Het is net een waterbed.”
“Gewoon wat condensvorming, een tikje klamvochtig. Meer is het niet.”
Want kritiek op mijn tentje ligt bij mij gevoelig. Ik heb dit tentje ruim twintig jaar geleden gekocht in Nieuw Zeeland, er veel tochten mee gemaakt, er mee op festivals gestaan en ben er aan gehecht geraakt. In mijn ogen is die tent ‘zo goed als nieuw’.

Na een haastig ontbijt, waarbij het gespannen zeil prima dienst deed als alternatieve watervoorziening (we waren vergeten ergens water te halen), deponeerden we de natte zooi volgens het principe ‘alles-wat-nat-is-wordt-ook-ooit-weer-droog’ in de auto en reden verder in de richting van de Poolcirkel.
Want dat ging het doel worden. De Noordkaap gingen we in dit tempo niet redden, dat was wel al duidelijk.

Veranda én watervoorziening

Een aantal uren na het vertrek van het vochtige kampeerplekje kwamen we aan bij de Poolcirkel. Het was inmiddels heftig gaan sneeuwen, wat absoluut bijdroeg aan de authenticiteit van de ervaring. En P. begon voor te lezen uit zijn boekje over Noorwegen.
“Hé Remco, wist jij dat die Poolcirkel zich jaarlijks verplaatst? De plek die we nu zien met dat monumentje enzo is maar willekeurig gekozen. De Poolcirkel kan dit jaar net zo goed in het volgende dal liggen. Dat schijnt te komen door baan die de aarde rond de zon draait, die is niet perfect rond maar…”
“En dat zeg je me nou, P.?! We hebben 2500 km gereden om hier naar een hoop sneeuw te kijken en jij gaat me vertellen dat die Poolcirkel misschien wel in de stal van een schapenboer ligt, hier zeven km vandaan?”
Zo ver de authentieke ervaring. Gauw wat foto’s gemaakt en de Landrover ingesprongen om snel een stukje naar het zuiden te rijden om vervolgens af te slaan richting Zweden.

Was hier nou die Poolcirkel?

Observatie rondom autoverkeer in Scandinavië

Tijdens de trip door Scandinavië vielen mij in het autoverkeer een paar dingen op. In Denemarken hebben ze iets met aanhangwagentjes.
Mocht je ooit naar Denemarken op vakantie gaan of er zelf naar toe emigreren, hang iets op wielen achter je auto (groot/klein, maakt niet uit). Je zult op handen worden gedragen en worden beschouwd als een echte Deen.
In Zweden is het tegengestelde aan de hand. Daar hang je niet iets achter je auto, maar je monteert iets aan de voorzijde. Schijnwerpers. Zo groot en zo veel mogelijk. Voor schijnwerpers valt gerust iets te zeggen, het is ’s nacht echt aardedonker. Maar de Zweden zijn zo uitbundig in het gebruik hiervan dat de meeste auto’s bijna voorover kukelen door het gewicht. En ze vinden het maar erg lastig om het ‘uit’knopje te gebruiken. Je hebt een kapitaal uitgegeven aan die dingen, dan wil ze je gebruiken ook, nietwaar?
En dat is precies wat vrachtchauffeurs ook denken. “Ik heb die dingen, dan gaan ze aan ook”. Met als gevolg dat er op een kronkelweggetje in de bergen er zomaar ineens een kermisattractie je tegemoet kan komen rijden. En pas op het moment dat je met je hand naar de vangrail reikt om tenminste nog een kléin beetje een vermoeden te hebben waar je rijdt, worden de lichten gedimd.
Dan pakken de Noren het beschaafder aan. Dat zijn keurige rijders met een heilig ontzag voor snelheidsbeperkingen. Ik heb een sterk vermoeden dat er lijfstraffen staan op het overschrijden van de maximum snelheid, zodra er bordjes in zicht komen testen de Noren direct de ABS werking van hun auto’s uit.
Maar dat valt nog in het niet bij de gemiddelde bochtentechniek. Op de buitenwegen gaat het wel, maar als binnen de bebouwde kom een Noor de bocht om moet dan gebeuren er wonderlijke dingen in het brein van de heren en dames.
Ik kon het bijna woordelijk horen: “Øgødtøgødtøgød…een bocht.” “Zal ik terugschakelen naar z’n één, of maar liever helemaal gaan stilstaan?” “Weet je wat; veiligheid voor alles, ik ga stilstaan en dan op z’n egeltjes de bocht insturen.”
Het is maar dat jullie er rekening meehouden, mocht je ooit in Scandinavië belanden.

Vrolijke blauwe vonkjes
Via een fors besneeuwde grensovergang reden we dit land van bossen en meren binnen. En ook Zweden is prachtig.
Na een uurtje of wat tevreden rondsnorren kwam er een eind aan de zorgeloosheid.
“Zeg Rem, ruik jij ook iets geks?”
“Behalve onszelf, bedoel je?”
“Ja iets chemisch.”
“O ja, ik zie het P., ik geloof dat er wat rook uit de stuurkolom komt.”
“Hmmm, laten we maar even stoppen en kijken wat er aan de hand is.”
Gelukkig is een Landrover even degelijk als simpel van opbouw dus met een gewone kruiskopschroevendraaier hadden we de boel in mum van tijd open.
Het werd vrij snel duidelijk, de lichtschakelaar was aan het wegsmelten.
Als we contact maakten, sprongen er blauwe vonkjes vrolijk heen en weer in de behuizing.
Maar als wat het licht uitlieten was er niets aan de hand, dus zo konden we weer verder rijden.
Weten je nog van de Zweden met hun schijnwerpers?
Nou, ze grepen deze kans met beide handen en vol overtuiging aan!
Ze hadden echt de dag van hun leven.
In het volgende dorpje aangekomen ontdekten we bij de benzinepomp een kleine garage. Zo eentje van het type ‘geëxplodeerde vetbom’, wat een bende.
Maar de zwijgzame Zweed was bereid ons te helpen en direct na de draden te hebben losgeknipt verdween hij zonder een woord te zeggen. Geen idee wat hij ging doen. Gelukkig kwam hij terug met een schakelaar en nadat dit ritueeltje zich nog een paar maal had herhaald waren we een geïmproviseerd lichtbedieningspaneel rijker. Stevig vastgezet met het absolute toppunt van Zweedse uitvinderslust; KKP. (Koenraad’s Kleef Pasta)
Na een dag door Zweden te hebben gereden sloeg de verveling wel toe. Het is mooi, maar steeds meer van hetzelfde. Dus we besloten terug te keren naar het land wat we inmiddels een beetje als ons moederland waren gaan beschouwen, Noorwegen.
Na de bekende strubbelingen om een kampeerplek te vinden, vonden het meest magische plekje waar ik ooit heb gestaan. Hoewel het niet zozeer het plekje was wat zo mooi was, maar meer de omstandigheden. Het was kraakhelder weer met een bijna volle maan en absoluut bladstil.
Je hoorde echt niets.
Geen auto’s of vliegtuigen, maar zelfs de natuur hield zich stil. Geen ritselende blaadjes, geen beestjes en zelfs geen stromend water. Onwerkelijk mooi.

Magisch plekje

De volgende ochtend werden we begroet door de ranger van het gebied die aan een inspectieronde met de sneeuwscooter wou beginnen. Hij wilde even een praatje maken en vond het geinig dat er mensen waren die helemaal uit Nederland kwamen rijden om bij -10 in een tentje in Noorwegen te gaan slapen. Geen woord over dat het niet mocht ofzo; leve Noorwegen en het Allemansrecht.

Noren zijn bikkels
Na het interessante gesprek met de ranger en een taai gevecht om de haringen uit de grond te wrikken die stijf vastgevroren zaten (we moesten ze met een bijl en twee hamers te lijf) en een – inmiddels – traditioneel stevig ontbijt, waarbij we sneeuw moesten smelten omdat we weer eens geen water hadden, vertrokken we verder naar het zuiden richting Oslo en Kristiansand.

Goed begin van de dag

Het was te merken dat we weer naar de bewoonde (beschaafde?) wereld trokken, de wegen werden drukker en het landschap lelijker.
Daarom was de keuze snel gemaakt, zo snel mogelijk kleine weggetjes opzoeken, dan duurt het maar wat langer.
Een heel goed besluit, want na een paar uur belandden we weer op de meest prachtige routes die deden denken aan het gebied rondom de meren in Noord-Italië.
Na een laatste kampeernacht in Noorwegen, waren we nog maar een paar uurtjes verwijderd van Kristiansand van waaruit we weer op de boot zouden stappen.
Onderweg kwamen we nog wel een schitterende houtzaagmolen tegen die ergens langs de route stond te verkommeren. Compleet met houten katrollen en een uitgang boven het meer. Via deze uitgang vielen vroeger de gezaagde planken (van dik hout ongetwijfeld) in het meer, waarna ze konden worden vervoerd. Zo’n bouwsel zou in Nederland allang in een open luchtmuseum staan of minstens op de monumentenlijst. Voor P. was het een uitgelezen kans om wat verweerde planken te schooieren. Die lagen los naast de molen, hoor. We zijn geen slopers. En waarschijnlijk al een heel tijdje, er zaten nog handgesmede spijkers in.
Het plan was om in Kristiansand wat T-shirtjes te kopen voor de kinderen thuis. Dat vinden ze vaak erg leuk, maar helaas niets gevonden. Wat wel erg opviel was dat de terrassen open waren en druk werden bezocht. Er stond dan wel een waterig zonnetje, maar het was misschien 10 graden. En nergens van die terrasgrilletjes, hè. Echte bikkels die Noren.
Omdat we inmiddels al een week hadden rondgezworven was er natuurlijk geen mogelijk geweest om te douchen. Mijn haren (ook al worden die steeds minder talrijk, er zit nog wel degelijk wat) waren dringend toe aan wasbeurt. Mijn hoofd voelde zo ranzig dat ik het niet kon weerstaan om de eerste de beste kapperszaak binnen te duiken en daar lekker mijn haar te laten wassen.
“No haircut, sir?”
“No, just a thorough wash will do.”
Heerlijk.

Bewogen nacht
Op naar de boot.
“P., rij jij die auto de boot op, mijn rijbewijs is een beetje..”
De terugreis was een stuk saaier dan de heenreis. Geen drinkende, zwalkende, zingende, dansende, hossende, vrolijke Noren dit keer. Jammer hoor.
In Hirshals, Denemarken, gauw naar het restaurant waar ze inderdaad keurig op P.’s fototoestel hadden gepast.
In eerste instantie zouden we in dit havenplaatsje een kampeerplekje zoeken, maar om dat het nog vroeg was (rond 20.00 uur) besloten we toch maar eerst een paar uurtjes te rijden.
Maar na die paar uurtjes hadden we geen zin meer om die tent op te zetten, dus we begonnen te dubben; de hele nacht doorrijden of een motel?
We waren best moe, dus lieten we ons voor eerst in deze trip overtuigen door de rede. Doorrijden was niet zo verstandig, we kozen voor een motel.

De Tomtom stuurde ons resoluut het achterland in.
Tot onze verbazing leidde hij ons inderdaad rechtstreeks naar een slaapplaats.
Dat was zo’n motel zoals je in Amerikaanse films ziet, waar we een kamer kregen direct naast de enig andere bezette kamer.
Een echt bed! Wat een genot!
En na een wijntje te hebben gedronken en fluks enkele nationale politieke problemen te hebben opgelost gingen we op tuk. Het was inmiddels een uur of twee en ik was compleet afgedraaid. Voor ik mijn kussen raakte, sliep ik.
Om een uurtje later weer wakker te schrikken.
Vlak naast ons parkeerde een auto, deuren sloegen dicht en in de kamer naast ons klonken plots stemmen. Direct daarop vertrok de auto weer, maar de mannen- en vrouwenstem bleven helder klinken door de klassiek dunne wandjes.
Wat na een minuut of tien werd gevolgd door heel andere geluiden.
Van wat er gezegd begreep ik natuurlijk niets, maar die geluiden.
Daar zat geen woord Deens bij.
Potjevolvet, dat heb ik weer!
Wil ik lekker slapen, eindelijk weer in een bed nota bene, lukt dat niet omdat er een dame vlak bij mijn hoofd professioneel ligt te kreunen.
Terwijl dat hele godverlaten motel leeg staat, moest dat allemaal precies naast mijn hoofd. Zucht..
Nou goed, dat werd uiteindelijk een korte nacht en de volgende ochtend was ik bepaald niet uitgerust.
Even ontbijten en toen gauw weer op weg, want we wilden nu allebei graag naar huis.
Denemarken, Duitsland en Noord-Nederland zo snel mogelijk doorgeblazen.
Want het was een prachtige reis, maar niets is zo fijn om te knuffelen met je gezin als een poosje van huis bent geweest.